woensdag 16 april 2008

Transit deel 3

Laat mij vertellen wat er gebeurt. Ik wil proberen het te begrijpen.
Het is nacht. Ik woon in een dorp. Het dorp heet België. Er staat een hek rond België. Wie zet er nu een hek rond een dorp?

Ik ruik het beton, het zweet, de kale muren, het metalen bed waarin ik lig. Ik voel de leegte, de koude ogen van de camera’s die de leegte bewaken. Het knarsen van de sloten. Ik hoor ze, de stemmen, de stemmen van de mensen zonder stem. Ik ken alles, alles was er al, hier of ergens anders. Voor mij of na mij.

Ik ben niet welkom. Ook dat is niet nieuw voor mij.
Er is een winkel waar je mag aanschuiven en je hand uitsteken. ‘Alstublieft?’
Maar ik krijg niets.
‘Je badge?’
Wat is een badge?
‘Je naam?’
‘Achmed.’
‘Achmed hoe?’


Ik volg de anderen naar de zaal waar een televisietoestel staat. Eerst wordt er gevochten, dat spreekt voor zich. De overwinnaar kiest het programma. We kijken naar voetbal. De plaatsen naast mij blijven leeg.

Ik loop langs een raam, dat openstaat. Een vrouw zingt, terwijl ze een kind in haar armen wiegt. Ze lacht naar het kind. Waarom? Hier valt niets te lachen. Ze doet het raam dicht als ze mij ziet.

Ik dwaal tussen de gebouwen. Ik spreek iemand aan, hij keert zich van me af. Ik heb geen naam, is het dat? Ik ben niemand, ik ruik nergens naar.

Er staan zwarte mannen op de hoeken van de pleinen. Alsof ze daar altijd staan. Ze tonen elkaar hun gsm’s, hun sigaretten, hun tatoeages. Ze wijzen naar mij. Ze wijzen nergens naar.

Ik kijk in mijn bord, naar het voedsel dat mij wordt verstrekt. Waar ik recht op heb. Ik kijk naar het voedsel zonder vorm, zonder kleur. Zonder smaak. Aan wie moet je vragen hoe het smaakt?

Tegenover mij zit een meisje. Een meisje zonder borsten. ‘Ik ben Pema,’ zegt ze. Onze monden malen het voedsel waar we recht op hebben. We praten niet. We vragen niets. Ze wil niet weten wie ik ben.


Haar kamer is aan het einde van een gang. Door het raam zie je het hek van het dorp. We zitten op haar bed en roken en kijken.

Op een tafeltje staan gekleurde potjes, kaarsjes, geurende staafjes, bloemetjes. Alles in het klein, zoals zijzelf. De foto van een man. ‘De Dalai Lama’, zegt Pema. ‘Hij zei: stilte is het beste antwoord.’

‘Waarop?’ wil ik weten.

Ze toont me de krassen op haar armen en benen en buik. Die heeft ze zelf gemaakt, met een mes. Ze laat me het mes zien. Ze toont me hoe het moet. Hoe je met een mes moet krassen in je huid. Niet te diep. Elke dag. Elke dag een kras. Elke dag dat ze hier wacht.

Ik tel de dagen dat ze wacht. We tellen samen. Ik slaap bij haar.

Geen opmerkingen: