woensdag 23 april 2008

deel 4 transit

Is het de warmte van jouw armen?
Is het de geur van jouw bed?

Pema?

Ik voel je niet, maar ik ben bij jou. Ik wacht met jou op de zon. Weet je nog, het licht? Het licht van de oude wereld dat ’s morgens tussen de lakens naar binnen sluipt, de oude zon die slaperige ogen verschroeit?
Dat flauwe spatje vuur, de seconde die je tot in het oneindige kunt delen?

De illusie.

Zonet was ik nog bij jou, hier, in dit dorp dat geen dorp is, maar een val. De poort staat open. Ze zeggen: ‘Ren maar. Jij mag weg. Ruim jezelf maar op.’

Misschien had ik moeten luisteren naar de man met de snor. Hij toonde me de wereldkaart.
‘Doe je ogen dicht en plaats je vinger,’ zei hij. ‘Wij betalen het ticket.’
Maar dat heb ik niet gedaan.
Hij noemde me een idioot.

Dit is wat ik zie, Pema. Jij begrijpt wat ik zie.
Ik ren. Ze zitten achter me aan. De zwarte mannen zitten achter me aan. Als ik stop, stoppen zij ook en loeren vanop afstand naar mij. Ze zwaaien met hun messen.
Dan ren ik verder en zij komen ook weer in beweging. Hun laarzen doen de gevels trillen. De gevels met de gesloten ramen, waarachter de kinderen slapen, veilig bij hun mama’s, de kloppende kinderharten van deze wereld, in de waterbedden gevuld met warm bloed.

Jij weet wat een mes kan. Jij weet wat kerven is.

De camera’s zijn wakker. Ze draaien met me mee. Ik voel hun lege ogen in mijn rug.
Ik roep: ‘Herkennen jullie mij? Herkennen jullie dit vlees? Ik ben Achmed, of zoiets, voorwerp zonder papieren, leven zonder betekenis. Of is het voor jullie om het even wie hier loopt?’

Ik maak een grapje. Ze moeten mij hebben, dat is duidelijk. Ze moeten mij weer hebben. Mij of iemand anders.

Ach ja, hoe vaak hebben we dit spelletje al gespeeld? We laten ons drijven naar de plaats waar zij ons willen hebben. Daar is de muur. Ik kom eraan.

Herken je mij, het lichaam dat zich tegen de muur werpt? Weet je nog, ik ben de zweetplek op jouw muur. Jij speelt de onzichtbare deur. Lach niet. Mijn angst is echt.

Hoe vaak moest ik ook weer kloppen? Zeven maal zeven maal zeven?
Alsjeblieft! Dit is een ernstig spel.

Ik voel je adem, eindelijk. Je trekt me naar binnen. Ja, ik kom.
‘Je had geen seconde langer mogen wachten.’ Dat zijn de woorden die ik moet spreken.

Ik voel je hand, je streepjesarm. Alles. Ik weet dat jij het bent.

‘Pema.’

‘We mogen niet kijken nu,’ fluister je. ‘Heel even moeten we doen alsof. We moeten onze ogen sparen, de tocht is nog lang. Laat je zweven op het licht.’

Het oude licht van die ene seconde, dat flauwe spatje hoop.

‘Waarheen?’ vraag ik. Maar moet ik dat nog vragen?

‘Engeland.’
Natuurlijk, denk ik, Engeland, waar anders?

Geen opmerkingen: