Zo word je geboren. Je doet je ogen open en kijkt.
Maar eerst zie je niets. Het licht is te scherp. Waar moet je beginnen met kijken als er alleen licht is? Het is een vieze brij, een kolkende blubber. Het schreeuwt en het kermt. Misschien is dat nog het ergste: het gekerm. Je ogen en oren doen pijn van het licht.
Dan zie je iets. Letters. Een woord op een muur. Je wordt geboren en het eerste wat je ziet is een woord: Brussel. Er staan nog andere woorden op de muur: Luik, Charleroi, Antwerpen, Parijs. Ze hebben een stem, een gebroken stem. ‘Train... voie... destination...’ roepen ze.
Rustig maar. Er is niets aan de hand. Je bent binnen, je kunt niet nat worden, dat weet je. De ruimte is gesloten. Je ligt onder een dak op een bank. Jouw bank, jouw wieg, jouw huis, jouw thuis. Hier ben je geboren. Je ruikt koffie en chocolade, hmm. De bank is hard.
Het gekerm gaat over in gebulder. Het huis trilt. Alles beweegt. Daar zijn de mensen! Ze komen eraan. Kijk hoe ze rennen. Opzij, opzij! Ze dragen schoenen en kleren. Ze dragen koffers. Ze hebben geen tijd. Dit is hun wereld, de wereld van de mensen. Ze zijn onderweg.
En ik, vraag je je af, ben ik ook een mens? Ben ik ook onderweg? Kijk naar mijn handen, ze zijn leeg. Ik mag nog van geluk spreken dat ik hier lig! Stel je voor, je wordt geboren in een andere wereld. Zonder mensen, zonder schoenen, zonder kleren. Buiten, in de regen.
Je wrijft in je ogen en kijkt. Voor je staat een man. Een man in een uniform. Hij lacht niet. Een geboorte is mooi, of niet? Oké, het doet een beetje pijn, je weet niet wat je overkomt, maar toch. De man in het uniform kan er niet mee lachen. Hij zegt iets. Of beter: hij blaft iets. Hij spuwt het uit, alsof het een vieze smaak heeft:
‘PAPIEREN!’
Mijn naam moet op een papier staan, is het dat?
Ergens moet staan wie ik ben.
Ik strompel recht. Ik beef. Is dit angst? Mijn benen zijn slap.
Geef toe, iedereen kan geboren worden en beweren dat hij er is.
Als het zo eenvoudig was...
Kijk naar al die mensen. Ze zijn met zovelen. Ratten.
Ze staan niet stil. Zonder naam hou je ze niet uit elkaar.
Maar waar haal ik een papier?
Een papier met een naam, waarop staat hoe ik heet.
Ik zoek in de zakken van mijn jas.
De jas is oud en vies. De zakken zijn leeg.
Je wordt geboren in een oude, vieze jas met lege zakken, klopt dat?
De man in het uniform wacht. Zijn uniform is schoon.
Zo word je niet geboren, in een schoon uniform met glanzende knopen. Zoiets moet je verdienen, klopt dat?
Hij lacht niet, hij wacht. Toch lief van hem. Iedereen loopt door, maar hij wacht.
Zie mij hier staan, mijn handen in de zakken van mijn broek.
Mijn oude, vieze broek, daar zit iets in. Ik voel het. Is dat een papier?
Ja, dat is een papier. Ik haal het uit mijn zak. Een propje papier.
Ik lach naar de man in het uniform en vouw het propje open.
In mijn mond vormen zich klanken, trage woorden, ze zijn moe, ze komen van ver. Ik lees:
‘Ik ben Achmed.’
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten