woensdag 13 februari 2008

TRANSIT


Zo word je geboren. Je doet je ogen open en kijkt.

Maar eerst zie je niets. Het licht is te scherp. Waar moet je beginnen met kijken als er alleen licht is? Het is een vieze brij, een kolkende blubber. Het schreeuwt en het kermt. Misschien is dat nog het ergste: het gekerm. Je ogen en oren doen pijn van het licht.

Dan zie je iets. Letters. Een woord op een muur. Je wordt geboren en het eerste wat je ziet is een woord: Brussel. Er staan nog andere woorden op de muur: Luik, Charleroi, Antwerpen, Parijs. Ze hebben een stem, een gebroken stem. ‘Train... voie... destination...’ roepen ze.

Rustig maar. Er is niets aan de hand. Je bent binnen, je kunt niet nat worden, dat weet je. De ruimte is gesloten. Je ligt onder een dak op een bank. Jouw bank, jouw wieg, jouw huis, jouw thuis. Hier ben je geboren. Je ruikt koffie en chocolade, hmm. De bank is hard.

Het gekerm gaat over in gebulder. Het huis trilt. Alles beweegt. Daar zijn de mensen! Ze komen eraan. Kijk hoe ze rennen. Opzij, opzij! Ze dragen schoenen en kleren. Ze dragen koffers. Ze hebben geen tijd. Dit is hun wereld, de wereld van de mensen. Ze zijn onderweg.

En ik, vraag je je af, ben ik ook een mens? Ben ik ook onderweg? Kijk naar mijn handen, ze zijn leeg. Ik mag nog van geluk spreken dat ik hier lig! Stel je voor, je wordt geboren in een andere wereld. Zonder mensen, zonder schoenen, zonder kleren. Buiten, in de regen.

Je wrijft in je ogen en kijkt. Voor je staat een man. Een man in een uniform. Hij lacht niet. Een geboorte is mooi, of niet? Oké, het doet een beetje pijn, je weet niet wat je overkomt, maar toch. De man in het uniform kan er niet mee lachen. Hij zegt iets. Of beter: hij blaft iets. Hij spuwt het uit, alsof het een vieze smaak heeft:

‘PAPIEREN!’

Mijn naam moet op een papier staan, is het dat?
Ergens moet staan wie ik ben.
Ik strompel recht. Ik beef. Is dit angst? Mijn benen zijn slap.
Geef toe, iedereen kan geboren worden en beweren dat hij er is.
Als het zo eenvoudig was...
Kijk naar al die mensen. Ze zijn met zovelen. Ratten.
Ze staan niet stil. Zonder naam hou je ze niet uit elkaar.
Maar waar haal ik een papier?
Een papier met een naam, waarop staat hoe ik heet.
Ik zoek in de zakken van mijn jas.
De jas is oud en vies. De zakken zijn leeg.
Je wordt geboren in een oude, vieze jas met lege zakken, klopt dat?
De man in het uniform wacht. Zijn uniform is schoon.
Zo word je niet geboren, in een schoon uniform met glanzende knopen. Zoiets moet je verdienen, klopt dat?
Hij lacht niet, hij wacht. Toch lief van hem. Iedereen loopt door, maar hij wacht.
Zie mij hier staan, mijn handen in de zakken van mijn broek.
Mijn oude, vieze broek, daar zit iets in. Ik voel het. Is dat een papier?
Ja, dat is een papier. Ik haal het uit mijn zak. Een propje papier.
Ik lach naar de man in het uniform en vouw het propje open.
In mijn mond vormen zich klanken, trage woorden, ze zijn moe, ze komen van ver. Ik lees:
‘Ik ben Achmed.’

2
Ja, ik ben een mens. Ik spreek Nederlands.
Een beetje Nederlands.
Als je langzaam spreekt, begrijp ik wat je zegt.
Ik ben een beetje mens.
De man in het uniform heeft me naar de man met de snor gebracht. In het kantoor van steen en staal. Ergens zoemt een ventilator. Ik voel het, er is geen ontkomen aan. Hier was ik vroeger, hier ben ik nu en hier kom ik later terug, als alles voorbij is. Het maakt niet uit in welke volgorde, de tijd heeft geen voor- of achterkant. Assalam aleikom.
De man met de snor spreekt zacht:
‘Hoe heet je? Ahmed?’
Dan luider:‘Uit welk land kom je? Waar kom je vandaan? Waar?’
Nog luider:‘Geboortedatum? Wanneer ben je geboren? Leeftijd?’
Te luid:‘Begrijp je wat ik zeg? Ja? Nee? Je weet het niet? Je weet niets?’
Veel te luid:‘Je weet niet wie je bent? Je weet niet uit welk land je komt? Je weet niet hoe oud je bent? Je weet niet waar je bent? Je weet niet waarom je bent?’
Nu brult hij, zo ken ik hem:‘Wat is je moedertaal? De taal van je moeder, godverdomme! Of heb je geen moeder? Ben je een bruine rat die zijn eigen moeder niet kent?’
Ik denk: mijn huid is bruin, dat klopt. Lichtbruin. Als ik mijn ogen sluit, zie ik de bruine ratten schuifelen. Ik luister: ze ritselen in de riolen van mijn hoofd, op de plaatsen waar ik ben geweest, in de levens voor dit leven, voor ik geboren werd. Ratten voelen zich overal thuis. Ik voel me hier ook thuis. Ik heb niets anders.
‘Ik ben hier geboren,’ zeg ik.
De man met de snor lacht. Zijn gezicht is heel dichtbij nu. Zijn snor, de afgeborstelde angst, het oerwoud van haat. Ik ken het. Zijn adem, de weke plekken, de ingewanden. Ik herken het. Ik ruik het. Het spat in mijn gezicht. Maar ik heb geen angst. Of toch, ik heb ook angst. Maar ik weet dat ik hier doorheen moet.
Zo is de procedure. Een geboorte moet geregistreerd worden.

Geen opmerkingen: